vuursteen
Ik woon in een oude zee,
mijn zakken vul ik met haar schuim,
als de aarde wordt leeggedronken
tot we er bij neervallen.
Gravend, raspend blind,
het stof van eeuwen reutelt scherp,
nog dagen na de dronk
van dit deinende mijnenveld.
Bij elke teug wordt ik gedragen,
gehypnotiseerd, door elkaar geschud,
maar de zee blijft kantelen,
tot het leeg tobbend achterblijft.
Op mijn nachtelijke reizen dan,
klamp ik mij vast aan mijn bedspiraal,
ziek van de getijden,
ziek van het wachten op een wending.
Steeds weer vind ik oude stenen,
het troostende schuim der aarde,
mijn hart klopt
als voor een vondst uit Kanaän.
Daar sta ik, lachend,
in elke groeve diep geverfd,
als de zeepkist kantelt
zich verslikkend in het schuim.
Nu zwaailicht en sirenen sterven,
in de ondoorzichtige wolk
de eerstelingen lichten,
spugen de stenen hun vuur.
aberan 2023